Terwijl ik dit schrijf ben ik in Turkije, op een met airco gekoelde hotelkamer in het midden van een plek waarvan ik niet eens weet of ik het een stad of een dorp moet noemen. Als ik op het balkon zit en ik kijk over de railing heen dan zie ik een bouwval. Of, als je het aan iemand vraagt met een marketing achtergrond; een blik in de toekomst.
Wanneer we bij het zwembad liggen -en geloof me, dat gebeurt regelmatig-, hoor je het gemekker van de schapen die waarschijnlijk tot een aantal jaar geleden nog volop konden grazen op een plek waar nu honderden mensen liggen te verkolen onder de felle Turkse middagzon.
In het met chloor-gevulde-zwembad leven talrijke figuren. Te beginnen met het paarse ezel-draakje, daarnaast wonen er ook nog meerdere zeepaardjes, een toekan, een aantal papegaaien, staat er een schatkist en wonen er twee piraten. Die chloorzee die we een zwembad noemen wordt nog wel eens onrustig en dat komt door de befaamde -door schoonvader zo genoemde- groen-gele-kont. Om de zoveel seconden komt er een kind uit het laatste stukje van de endeldarm van die kont. Om even duidelijk te zijn, het gaat om een grote glijbaan; zo eentje die eindigt in een grote kolkende beweging. Voor kinderen is de glijbaan perfect geschikt. Voor ouderen iets minder, dat is te herkennen aan het vasthouden van de elleboog bij het verlaten van de glijbaan. Zelf ben ik er niet in geweest dus ik moet het doen met wat ik gezien heb.
Ik wil nog even terugkomen op die schapen, of, beter gezegd; op de herder tussen de schapen. Want tussen al die grazende schapen lag een man, mijn inziens, de herder. Je moet weten dat dit hotel pas twee jaar oud is, dus zeer waarschijnlijk staan er schapen op dat stukje overgebleven wildernis die geboren zijn op de plek waar nu een plastic zeepaardje water staat te spuiten. Maar die man lag zo heerlijk tussen zijn schapen, te genieten van het weer. Ik heb zo’n twee uur bij het zwembad gezeten en de gehele tijd lag de herder daar tussen de lange sprieten overwoekerd gras, op z’n rug zonder enige vorm van stress. En dat allemaal terwijl de schapen, waarvan ik de hoeveelheid niet kon tellen zonder in slaap te vallen, steeds dichter bij het ijzeren gordijn van het hotel kwamen.
Het heeft iets dystopisch en confronterend als je iemand zo vrij ziet liggen op een plek waar genieten en ontspannen centraal staan. Ik heb een reis moeten maken van welgeteld 3322km, om op een kunststof strandbedje te liggen bij een zwembad gevuld met schreeuwende kinderen en ouders met een iets te luide bluetooth speaker waar ook nog eens -smaken verschillen- net geen goede muziek uitkomt. Waarom? Om te ontspannen!
Bij binnenkomst in de eetzaal voel je je bijna royaal. Het personeel begroet je met brede glimlach en het voer en de drank vloeit rijkelijk. Je komt niks tekort en de keuze is reuze maar toch kies je steeds het eten dat je zeer waarschijnlijk ook uit je eigen keuken had gepakt als die mogelijkheid zich voordeed. Het voelt vertrouwd om een veilige keuze te maken. Waarom zou je gek doen?
En het land zelf? Laten we eerlijk zijn; bij een all-in-resort geef je eigenlijk niks om het land waar je bent zolang je maar kan zuipen en vreten. Je kan bij een resort alles doen om een keer te ontspannen, je bent een koning(in) en je denkt dat je alles hebt en alles bent voor dat ene momentje. Je voelt je, na al dat harde werken, dan eindelijk speciaal.
En, alles overwegend, zie je een man daar liggen, in een veld vol met onkruid en schapen, genieten van de hete Turkse middagzon, hoed op halfelf, de herrie van machines om ‘m heen en het boeit hem helemaal niks. Misschien is hij wel de echte winnaar van het resortleven.
